ME05 - Het effect van de ruimtelijke rangschikking van moerassen en slootoevers op waterkwaliteit en koolstofvastlegging in veenweidepolders
Klimaatverandering heeft invloed op veenweidegebieden en andersom is dat waarschijnlijk ook zo. Het broeikasgas koolstofdioxide (CO2) maakt deel uit van een omvangrijke koolstofcyclus door bodem, water en atmosfeer. CO2 kan bijvoorbeeld vastgelegd worden als organische koolstof in de bodem. De mate waarin dat gebeurt hangt onder meer af van het waterpeil.
Een levensvatbare melkveehouderij op veengrond vereist een laag waterpeil (~60 onder maaiveld). Het aan de lucht blootgestelde veen wordt echter snel afgebroken (enkele cm per jaar). Daarbij komt CO2 vrij, maar ook nutriënten. Die nutriënten zorgen samen met het afspoelende deel van de bemesting voor een sterk verhoogde nutriëntenbeschikbaarheid in het slootwater: het waterkwaliteitsprobleem eutrofiëring. In veengebieden met een hoog peil treedt dit niet op, maar in sommige natuurgebieden, zoals rietmoerassen komt wel veel methaan vrij, een veel sterker broeikasgas dan CO2. Die rietmoerassen kunnen daarentegen wel goed als nutriëntenbuffers fungeren. Het was in dit onderzoek de vraag of op de landschapsschaal van echte veenpolders niet alleen uitstoot van de broeikasgassen laag gehouden kon worden, maar ook nutriënten vastgehouden konden worden in het riet.
Slootoevers zijn in dit project beschouwd als feitelijk smalle, lijnvormige rietmoerassen. Het bleek dat die op polderschaal nauwelijks bijdragen aan de nutriëntenretentie in vergelijking met de veenbodem die overal onder de percelen en onder de sloten de rol van absorberende spons speelt. Kooldioxideemissies uit moeras en schraal land waren inderdaad lager dan uit productiegrasland, en methaanemissies hoger. Maar tegelijkertijd waren de methaanemissies uit de sloten juist hoger in het productiegrasland, en veel lager voor sloten en plassen in natuurgebieden.
Aan de hand van deze gegevens is een dynamisch water- en nutriëntenbalansmodel in SOBEK gemaakt van een doorsnee, maar niet werkelijk bestaande veenweidepolder. Dit model is vervolgens gebruikt om met de KNMI’06 klimaatscenario’s (zie project CS07) te schatten hoe de nutriëntendynamiek en broeikasgasemissies zouden veranderen. Bij berekeningen met het warmste W+ scenario blijkt het grondwater in de nazomer verder weg te zakken, ondanks de handhaving van het slootpeil. Dit leidt tot extra mineralisatie van de bodem, meer CO2-uitstoot en een grotere beschikbaarheid van nutriënten. Dit komt ook tot uiting in de concentraties totaal stikstof in het slootwater, maar niet in het totaal fosfor, waarschijnlijk omdat dat grotendeels geassimileerd wordt en met particulair materiaal sedimenteert in de onderwaterbodem.
De verdeling van moeras, grasland en oppervlaktewater in een polder bleek belangrijk voor de broeikasgasuitstoot door veenweidegebieden, maar als slechts methaan en CO2 in de balans worden betrokken lijkt het erg moeilijk om een netto koolstofsink te creëren in combinatie met melkveehouderij. Daarvoor zijn waarschijnlijk grotere oppervlaktes dieper water (> 1.5 m) nodig.
contact | publicaties | factsheet en consortium | highlights | artikel | rapport | synthesis report
